Tour d’espagne, partie III: Granada, bezoeken.
December 28, 2007 – 1:44 pmDag 3. Of hoe Mattias en ik het eens worden over het fenomeen ‘een stad bezoeken’ en Joachim het Alhambra aandoet.

Een stad bezoeken is niet alle bezienswaardigheden opzoeken en ze vervolgens één voor één vlug doorlopen om kiekjes te nemen. En vervolgens in het kwadraat, eens thuisgekomen, de hele familie te verzamelen voor de diaprojector. En nog meer vervolgens de stad te schrappen uit de lijst ‘toeristische steden, te bezoeken voor ik pijnloos heenga’. En de volgende keer een volgende stad aandoen. En dan gelukkig sterven omdat je veel te bezoeken steden bezocht hebt. Tenzij je ergens in een eiland in het Oosten geboren werd.

Een stad bezoeken is, de trein achter je laten in het station. Je op het perron zetten en een sigaret roken. Vragen aan de perronschoonveegman of het weer er altijd zo goed is. Je sigaret doven, vooral geen plan zoeken, verdwalen, je neerzetten in een café dat gezellig lijkt. Daar blijven zitten.

Of een stad bezoeken is: uitslapen. Wakker worden met de melding dat het ontbijt klaar staat op het dakterras. Eens goed lachen. Op het dakterras klauteren en merken dat het toch geen grap was. Ontbijten met uitzicht over Granada, de stad der steden, die langzaam onthuld wordt door een wegtrekkend misttapijt. Stukje stokbrood breken, potje koffie drinken.
Een stad bezoeken is je thuisvoelen in een stad. Geen stress hebben. Niks doen. Je amuseren. De sfeer opsnuiven. De herinnering van de stad onthouden. Het gevoel onthouden. Je schop afkuisen als het je niet aanstaat. Teruggaan als je er van houdt.

Dus besluiten we stoofvlees te gaan maken met zicht op een mooie stad. Dat is gemakkelijk gezegd. En ook gemakkelijk gedaan. Met verse appelmoes en patatjes. Alleen moet je er voor op boodschappen gaan. Als je op een berg woont, omsingeld door schots en scheve wandelpaadjes is dat al minder gemakkelijk. Als je in een rolstoel zit wordt dat moeilijk. En dan ga je op zoek naar belgische trappistenbieren. Dan wordt het praktisch onmogelijk. We dwalen door de stad. We vallen een tiental cafés binnen met de vraag of ze bruin bier hebben. Of belgisch bier. Of eender welk deftig bier. Helaas.

Na een hele pelgrimstocht blijft slechts één oplossing over. Eén oplossing die kan leiden tot goed stoofvlees. Eén oplossing die de dag kan redden. De Aux-Champs. In het Spaans, zoals het hoort, letterlijk vertaald: de Al Campo. Helaas is dat ding wel 20 minuten wandelen verwijderd van waar we zijn. Dus. Wij naar de Al Campo. Correctie: ik naar de Al Campo. Als een echte gentleman laat ik de gehandicapte in het midden van het voetpad staan. Ga ik vervolgens een uur om 4 trappisten. En kom ik terug, waar de gehandicapte nog steeds in het midden van het voetpad staat.

En vervolgens maken we stoofvlees. En appelmoes. Gedurende een uur of drie. Nadat de belangrijkste stappen ondernomen zijn en de lange periode van sudderen aanbreekt, verhuist Mattias naar de pianokruk. Naar zijn instrument dat hij al twee maanden miste. Ik doe de voordeur open, zet me op de dorpel, rook een sigaret, kijk over Granada. En zag dat het goed was. We bezoeken de stad.


Het stoofvlees smaakt. Heel. Lekker. Het semi-middageten is wat uitgelopen, en werd avondeten.

Na het eten wandelen we gezamenlijk naar Sacromonte, een ‘wijk’ die nog boven het Albayzin ligt, en een prachtig uitzicht over de stad biedt. ‘Wijk’ staat tussen van die dingen, omdat het nog al moeilijk zo te omschrijven is. Er zijn enkele grotten in de bergwand, die dienst doen als woningen. Erg primitief allemaal. Wel vriendelijke mensen. Wel hoog zo. Duizend en één trappen. En geen rolstoellift.


We houden een fotosessie met de gehandicapte in de zetel, op de berg, met het uitzicht. Enkele holbewoners op wier grot we wat kamperen, merken ons op en roepen ons om een sigaret. Ik daal even af om de sigaret te brengen. Ze zijn heel erg vriendelijk en vragen of ik fruit wil. Ik weiger, uiteraard. Je kunt moeilijk voedsel aannemen van mensen die geen elektriciteit, geen verwarming, geen douche en geen inkomen hebben. Ze dringen aan, en uiteindelijk vertrek ik met voor iederee een potje drinkyoghurt. God weet waar ze dat gehaald hebben. Uit eerlijke schaamte laat ik het hele pakje sigaretten maar achter.






We drinken nog iets in het albayzin, maken onze wandeling af, bezoeken een winkel waar ze hele achterhespen verkopen en keren terug huiswaarts. Alwaar we ons herinneren dat we onszelf buitengesloten hadden. Bravo. Pieter klimt even op het dakterras – de prikkeldraad omzeilend die de stokoude huisbazin aanbracht om de moren buiten te houden, ZO oud is ze nochtans nog niet – om het boeltje op te lossen.

Des nachts trekken we naar het centrum om vrienden van Mattias te ontmoeten die ook in Granada op Erasmus zijn. Het is een blij weerzien. Ze blijken nog even gek en enthousiast als tevoren. Mattias en Joachim feesten verder nog even de nacht in. Ik kruip tussen de wol, het is mooi geweest. We hebben de stad bezocht. Met veel dank aan onze gastvrouw en - heer !

- Zoals steeds, méér en grotere foto’s op http://www.flickr.com/photos/pietermorlion/ -